Justitieminister David van Weel (VVD) heeft excuses aangeboden voor de manier waarop hij zich eerder uitliet over een rapport van de Rekenkamer. Dat rapport gaat over ernstige misdrijven waarvoor justitie geen verdere stappen zou hebben gezet.
Van Weel zei tijdens een debat dat hij met zijn eerdere opmerkingen niet de indruk had willen wekken dat hij de bevindingen van de Rekenkamer relativeerde. Volgens de minister was dat wel het effect van zijn zogenoemde nuancering. Daarom bood hij daarvoor zijn excuses aan.
Verdediging van de strafrechtketen
Van Weel zei dat hij vooral wilde opkomen voor medewerkers binnen de strafrechtketen. Zij hadden volgens hem aangegeven dat aangiften niet zonder meer worden genegeerd wanneer er mogelijkheden zijn om ermee aan de slag te gaan.
"Wat ik heb gewild, was opkomen voor die mensen in de strafrechtketen die zeiden: 'Ja, het is niet zo dat wij zomaar aangiftes terzijde gooien, als we daar iets mee kunnen'," zei Van Weel.
De minister maakte daarmee duidelijk dat zijn opmerkingen volgens hem waren bedoeld als verdediging van de werkwijze binnen politie en justitie. Tegelijk erkende hij dat zijn woorden konden worden opgevat als kritiek op het rapport zelf. Die indruk wilde hij niet wekken.
Het debat ging daarmee niet alleen over de conclusies van de Rekenkamer, maar ook over de manier waarop de minister daarop had gereageerd. De excuses van Van Weel waren gericht op die reactie. Hij trok niet de strekking van het rapport in twijfel, maar wilde benadrukken dat aangiften volgens hem niet automatisch terzijde worden gelegd wanneer onderzoek of vervolging mogelijk is.
De kwestie draait om de vraag hoe justitie omgaat met meldingen van ernstige misdrijven. Het rapport vormde aanleiding voor het debat, terwijl de minister zich daar tijdens de bespreking nader over uitsprak. Met zijn excuses probeerde hij de uitleg van zijn eerdere woorden recht te zetten.



