Nederland betaalt meer aan de Europese Unie dan het uit EU-fondsen ontvangt. Toch leveren de Europese investeringen op lange termijn economische baten op voor alle provincies. Per afgedragen euro ontstaat tussen 0,84 en 2,00 euro aan extra bruto binnenlands product per inwoner. Gemiddeld komt de opbrengst uit op ongeveer 99 cent.
De effecten verschillen per provincie. Drenthe behaalt met 2,00 euro per afgedragen euro het hoogste rendement. Noord-Holland en Noord-Brabant komen uit op 0,84 euro. De Europese investeringen verminderen daarnaast de provinciale ongelijkheid met maximaal 0,61 procent.
Verschillen tussen provincies
In totaal ontvingen Zuid-Holland, Noord-Brabant en Noord-Holland tussen 2013 en 2024 de grootste bedragen. De cumulatieve bijdragen bedroegen respectievelijk 3,21 miljoen euro, 2,30 miljoen euro en 2,21 miljoen euro. Flevoland, Zeeland en Drenthe ontvingen in absolute zin de kleinste bedragen.
Per inwoner ziet het beeld er anders uit. Groningen kreeg 1.660 euro per inwoner, Drenthe 1.222 euro en Friesland 1.155 euro. Het landelijke gemiddelde lag op 901 euro. Limburg kwam uit op 683 euro per inwoner, Flevoland op 749 euro en Noord-Holland op 765 euro.
De verdeling hangt samen met de economische structuur van de provincies. Noord-Holland en Zuid-Holland ontvangen veel geld uit Horizon, het Europese programma voor onderzoek en innovatie. Ook krijgen deze provincies, samen met Utrecht, relatief veel steun voor transport- en energienetwerken via de Connecting Europe Facility.
In Gelderland, Overijssel, Friesland en Groningen nemen landbouwfondsen een belangrijke plaats in. De Europese fondsen voor regionale ontwikkeling en werkgelegenheid zijn vooral zichtbaar in Noord-Holland, Zuid-Holland, Noord-Brabant en Gelderland. Het visserijfonds is beperkt tot provincies aan de kust.
Effect op de economie
De berekening is gemaakt met het EU-EMS-model van het Planbureau voor de Leefomgeving. Daarbij is een scenario zonder EU-beleid vergeleken met een scenario waarin de Europese fondsen wel worden ingezet. Het model houdt rekening met investeringen, productiviteit, handel, lonen, prijzen en kennisuitwisseling tussen regio’s.
Investeringen in onderzoek vergroten de voorraad aan kennis en kunnen de productiviteit verhogen. Scholing en maatregelen die de arbeidsparticipatie bevorderen versterken het menselijk kapitaal. Infrastructuurprojecten kunnen transportkosten verlagen en de handel tussen regio’s stimuleren.
Ook groei in andere EU-landen werkt door in Nederland. Economische ontwikkeling in Centraal- en Oost-Europa kan de vraag naar Nederlandse goederen en diensten vergroten. De berekening gaat uit van de EU-afdrachten tussen 2013 en 2024 en de economische baten tot 2025.



