Europese landen hebben tijdens zware natuurbranden onvoldoende blusvliegtuigen beschikbaar. Veel toestellen zijn tientallen jaren oud en staan geregeld aan de grond voor onderhoud. Nieuwe amfibische blusvliegtuigen van de Canadese fabrikant De Havilland Aircraft of Canada worden op zijn vroegst in 2028 geleverd.
Frankrijk beschikt over twaalf oudere Canadair-toestellen, maar heeft er in het brandseizoen vaak slechts zeven operationeel. Spanje heeft veertien van deze vliegtuigen, waarvan er geregeld acht inzetbaar zijn. Ook Italië, Griekenland, Kroatië en Portugal gebruiken dergelijke toestellen.
Via de Europese materieelpool RescEU zijn 22 blusvliegtuigen en vijf helikopters beschikbaar voor inzet in de EU. Landen hebben daarnaast gezamenlijk twaalf nieuwe DHC-515-toestellen besteld via RescEU, voor 600 miljoen euro. Die vliegtuigen zijn bestemd voor Portugal, Spanje, Frankrijk, Italië, Kroatië en Griekenland.
Productie kwam jarenlang stil te liggen
De DHC-515 kan in twaalf seconden meer dan 6.000 liter water opnemen uit zeeën, rivieren of meren. Het toestel kan daardoor snel opnieuw boven een brandgebied worden ingezet. De luchtvaartautoriteiten keuren het nieuwe type naar verwachting niet voor 2027 goed, waarna Griekenland in 2028 als eerste een toestel ontvangt. De prijs bedraagt ongeveer 43 miljoen euro per vliegtuig.
De schaarste hangt samen met het besluit van Bombardier om de productie van Canadair-blusvliegtuigen in 2015 stop te zetten. De vraag was toen beperkt en de fabrikant richtte zich op andere vliegtuigtypen en treinen. De ontwikkeling van nieuwe amfibische blustoestellen lag daardoor bijna negen jaar grotendeels stil.
De Havilland hervatte de productie in 2024, maar moest meer dan 50.000 verschillende onderdelen opnieuw laten maken en nieuwe leveranciers vinden. De assemblage gebeurt grotendeels met de hand. Daardoor kan de fabriek voorlopig jaarlijks slechts tien tot twaalf vliegtuigen bouwen.
Alternatieven bieden beperkte hulp
Van de 220 sinds 1969 gebouwde blusvliegtuigen zijn er nog 150 in gebruik, blijkt uit cijfers van luchtvaartanalysebureau Cirium. Ongeveer de helft vliegt in Europa. De meeste westerse landen zijn voor amfibische brandbestrijding afhankelijk van De Havilland.
De Verenigde Staten gebruiken vooral omgebouwde passagiers- en vrachtvliegtuigen. Die vullen hun tanks op vliegvelden en moeten hoger boven branden vliegen, waardoor zij minder geschikt zijn voor nauwkeurige en herhaalde waterdroppings. Russische toestellen zijn door sancties geen bruikbaar alternatief voor Europese landen, terwijl een Chinees toestel nog niet is gecertificeerd voor gebruik in de EU.
Frankrijk testte onlangs een Airbus A400M-transportvliegtuig met een uitneembare bluskit. Dat toestel moet na elke inzet terug naar een vliegveld om water bij te vullen. Het kan brede blusranden helpen aanleggen, maar vervangt geen vliegtuig dat water direct uit een nabijgelegen wateroppervlak kan scheppen.
Door klimaatverandering duren brandseizoenen inmiddels vaak van maart tot oktober. Daardoor kunnen landen minder gemakkelijk vliegtuigen uitwisselen met gebieden op het zuidelijk halfrond, waar het brandseizoen op andere momenten valt.



