Nederland, Duitsland, Denemarken, Zweden, Finland en Oostenrijk willen dat de Europese Unie honderden miljarden euro’s minder uitgeeft. De zes landen vinden dat de voorgestelde begroting voor de komende zeven jaar ingrijpend moet worden aangepast. Als dat niet gebeurt, kunnen zij hun steun aan het plan intrekken.
De Europese Commissie heeft voorgesteld om in die periode bijna 2 biljoen euro uit te geven. De zes landen willen niet alleen een lager totaalbedrag, maar ook een andere verdeling van het geld. Zij willen meer Europese middelen voor defensie en innovatieve bedrijven.
Daarvoor moet volgens de landen worden bezuinigd op landbouw en steun aan armere regio’s. Die beleidsterreinen nemen momenteel een groot deel van de Europese begroting in beslag. De zes regeringsleiders schrijven dat er duidelijke keuzes nodig zijn over de doelen waaraan de EU haar geld besteedt.
Moeizame onderhandelingen
De zes landen vertegenwoordigen samen ongeveer 40 procent van de inkomsten van de Europese Unie. Daardoor hebben zij een belangrijke positie in de onderhandelingen over de begroting. Een diplomaat uit een van de landen heeft laten weten dat een akkoord zonder een besparing van honderden miljarden euro’s niet haalbaar is.
Andere EU-landen willen de bestaande uitgaven juist grotendeels beschermen. Spanje en Italië behoren tot de landen die veel geld beschikbaar willen houden voor landbouw en regionale steun. Zij zullen zich naar verwachting verzetten tegen grote kortingen op die onderdelen.
De begroting geldt voor de zeven jaar vanaf 2028. Voor een akkoord moeten alle 27 EU-landen instemmen. De onderhandelingen moeten dit jaar worden afgerond, maar de uiteenlopende wensen maken dat lastig. De discussie gaat niet alleen over de omvang van de begroting, maar ook over de vraag welke Europese taken prioriteit krijgen.



