De totale studieschuld in Nederland is begin 2026 uitgekomen op 28 miljard euro. Dat is 800 miljoen euro minder dan een jaar eerder, blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Tegelijkertijd liep de gemiddelde schuld per (oud-)student verder op tot 18.300 euro.
Het aantal mensen met een studieschuld daalt inmiddels drie jaar achter elkaar. Begin 2026 hadden ongeveer 400.000 huidige studenten een schuld. Dat zijn er 210.000 minder dan in 2023, het jaar waarin de basisbeurs opnieuw werd ingevoerd.
Minder studenten lenen
Sinds de herinvoering van de basisbeurs lenen studenten minder vaak geld. In 2026 ontvangen studenten aan universiteiten en hogescholen maandelijks 130 euro als zij thuis wonen en 325 euro als zij uitwonend zijn. Voor mbo-studenten gaat het om 107 euro voor thuiswonenden en 350 euro voor uitwonenden.
Het aantal oud-studenten met een studieschuld neemt wel verder toe. Begin 2026 waren dat er ruim 1,1 miljoen, 6.000 meer dan een jaar eerder. Die stijging is kleiner dan in 2025, toen het aantal oud-studenten met schulden met 28.000 toenam.
De gemiddelde schuld is in 2026 bijna 6.000 euro hoger dan in 2015. In dat jaar werd het leenstelsel ingevoerd. Vooral de groep met zeer hoge schulden groeit: 145.000 mensen hebben inmiddels een studieschuld van meer dan 50.000 euro. Dat is twee keer zoveel als zes jaar geleden.
Daarnaast moeten 5.000 mensen een bedrag van 100.000 euro of meer terugbetalen. De daling van het totale schuldbedrag komt daardoor vooral doordat minder huidige studenten lenen, terwijl veel oud-studenten hun schulden nog aflossen en een kleinere groep met hoge schulden steeds zwaarder weegt in het gemiddelde.



