In het tweede kwartaal van 2026 was 1,7 procent van alle werknemers ouder dan de AOW-leeftijd. Dat komt neer op 152.000 mensen. Begin 2018 lag het aandeel op 1,2 procent, met 96.000 werknemers.
Mannen blijven na hun pensioen vaker werken dan vrouwen. Van de mannelijke werknemers was 2,3 procent ouder dan de AOW-leeftijd. Onder vrouwelijke werknemers ging het om 1,1 procent. Sinds begin 2018 is het aandeel bij beide groepen met ongeveer 0,5 procentpunt gestegen.
De groei zet door, ondanks de verhoging van de pensioenleeftijd. Die is sinds 2013 stapsgewijs opgelopen tot 67 jaar.
Verschillen tussen sectoren
Doorwerken komt het vaakst voor in de handel en verhuur van onroerend goed. Daar was 4,3 procent van de werknemers ouder dan de AOW-leeftijd. In de sector vervoer en opslag ging het om 3,6 procent.
In het openbaar bestuur en de IT- en communicatiesector werken relatief weinig mensen door na hun AOW-leeftijd. De percentages kwamen daar uit op respectievelijk 0,6 en 0,7 procent.
In het tweede kwartaal van 2026 begonnen ruim 20.000 AOW'ers aan een baan of wisselden zij van baan in een andere sector. Zij vormden 1,3 procent van alle werknemers die in die periode nieuw aan het werk gingen. Ongeveer de helft kwam uit een andere bedrijfstak. De andere helft had een jaar eerder geen baan in loondienst.
AOW'ers vormen ook bij het vertrek uit een sector een kleine groep. Zij waren goed voor 2,2 procent van de uitstroom. Bij werknemers van 55 jaar tot de AOW-leeftijd lag dat aandeel op 14,4 procent.
Voor werknemers boven de AOW-leeftijd is pensionering vrijwel altijd de reden om te stoppen. Slechts 9 procent van hen begon daarna nog in een andere bedrijfstak. Bij werknemers tussen 55 jaar en de AOW-leeftijd gingen de uitkomsten sterker uiteen: ruim een derde ging met vervroegd pensioen, ruim een vijfde kreeg een uitkering en een vijfde stapte over naar een andere sector.



