De Consumentenbond en Stichting Consumenten Competition Claims hebben een belangrijke procedurele overwinning behaald in hun massaclaim tegen Booking.com. De rechtbank heeft bepaald dat de Nederlandse rechter ook bevoegd is om de zaak te behandelen tegen buitenlandse onderdelen van de Booking-groep.
De consumentenorganisaties beschuldigen Booking van machtsmisbruik, het beperken van concurrentie en misleiding van consumenten. Zij eisen schadevergoeding namens ongeveer 270.000 mensen die zich bij de claim hebben aangesloten.
In totaal zijn dertien onderdelen van het concern voor de rechter gebracht. Het gaat om twaalf Europese entiteiten, het Amerikaanse moederbedrijf Booking Holdings Inc. en het Singaporese boekingsbedrijf Agoda.
Bezwaren afgewezen
Booking Holdings en Agoda hadden aangevoerd dat een Nederlandse rechter niet bevoegd is om over de buitenlandse bedrijven te oordelen. De rechtbank heeft die bezwaren afgewezen. Beide bedrijven moeten bovendien de proceskosten van Stichting Consumenten Competition Claims betalen.
De uitspraak betekent dat de rechter de massaclaim tegen alle betrokken ondernemingen kan behandelen. De Consumentenbond noemt de beslissing een belangrijke stap. “Nu kan de rechter de zaak in behandeling nemen, niet alleen tegen Booking, maar ook tegen de andere betrokken partijen”, zegt de organisatie.
De procedure is daarmee nog niet inhoudelijk beslist. Booking kan nog andere bezwaren indienen, waardoor de behandeling mogelijk langer op zich laat wachten. Naar verwachting begint de inhoudelijke behandeling in de eerste helft van 2027. Booking.com wilde niet reageren op de uitspraak.
De claim draait om de manier waarop Booking.com volgens de consumentenorganisaties zijn sterke marktpositie zou hebben gebruikt. Zij stellen dat het bedrijf de concurrentie heeft beperkt en consumenten op verschillende manieren heeft misleid. De rechter moet daar in een volgende fase inhoudelijk over oordelen.
De uitspraak staat los van een andere recente rechtszaak over Booking. Daarin oordeelde de Rechtbank van Amsterdam dat het niet onredelijk is dat het bedrijf medewerkers verplicht om 40 procent van hun werktijd op kantoor door te brengen. Die zaak ging over het thuiswerkbeleid en niet over de massaclaim van de consumentenorganisaties.



