De koopkracht van de meeste Nederlanders daalt volgend jaar met 0,1 procent. Dat staat in uitgelekte Prinsjesdagstukken. De cijfers worden op Prinsjesdag officieel gepresenteerd.
Niet alle groepen worden geraakt. Lage middeninkomens houden hun koopkracht op hetzelfde niveau. Tweeverdieners, middeninkomens en hoge inkomens gaan er volgens de berekeningen wel licht op achteruit.
Voor gepensioneerden en mensen met een laag inkomen ziet het beeld er gunstiger uit. Hun koopkracht stijgt naar verwachting met respectievelijk 0,2 en 0,3 procent.
Maatregelen beperken de achteruitgang
Het kabinet reserveert 1,5 miljard euro voor maatregelen die de koopkracht moeten ondersteunen. Daarmee wordt de verwachte daling gedeeltelijk gecompenseerd, maar niet voorkomen. Zonder ingrepen zou de koopkracht voor veel huishoudens sterker afnemen.
Bij eerdere berekeningen werd uitgegaan van een daling van 0,6 procent. Die raming hield rekening met kabinetsplannen die de koopkracht drukken, waaronder hogere belastingen. De nieuwe maatregelen verzachten dat effect.
Ook de economische omstandigheden spelen een rol. Door de oorlog in het Midden-Oosten blijven de energieprijzen stijgen. Daardoor houden huishoudens minder geld over, ondanks de compensatie vanuit het kabinet.
De koopkrachtcijfers zijn gebaseerd op gemiddelden. De gevolgen kunnen per huishouden verschillen, afhankelijk van onder meer inkomen, gezinssamenstelling en de ontwikkeling van prijzen en energie- en belastinglasten.



