Duitse onderzoekers denken de dader te hebben geïdentificeerd van de brand in een Joods verzorgingstehuis in München op 13 februari 1970. Bij de brand kwamen zeven Holocaustoverlevenden om het leven. Vijftien anderen raakten gewond.
De vermoedelijke brandstichter was destijds 25 jaar oud en had volgens het Duitse Openbaar Ministerie uitgesproken antisemitische opvattingen. Hij is in 2020 overleden. Daardoor kan hij niet meer worden berecht.
De slachtoffers waren tussen de 59 en 71 jaar oud. Zij hadden de Holocaust overleefd en woonden in het tehuis aan de Reichenbachstrasse. De brand maakte lange tijd niet duidelijk wie verantwoordelijk was.
Onderzoek naar brandstichting
Volgens aanklagers goot de verdachte rond 20.40 uur benzine in het houten trappenhuis van het gebouw. Daarna stak hij de vloeistof aan. Het vuur verspreidde zich snel naar de bovenste verdieping. Een deel van de bewoners wist het dak te bereiken, anderen werden door brandweerlieden gered.
Het Openbaar Ministerie kwam de man op het spoor na informatie van een vrouw. Zij meldde zich vorig jaar bij de autoriteiten, na het overlijden van een familielid dat de verdachte goed had gekend. Volgens het OM zou de man in de buurt van het tehuis hebben gezegd dat Joden alles hadden en dat hij hen in brand wilde steken. Andere familieleden bevestigden de informatie van de vrouw, aldus de aanklagers.
Getuigen beschreven de verdachte verder als iemand met een sterke obsessie voor Adolf Hitler. Hij zou als jongere opnames van toespraken van de nazidictator hebben beluisterd. Een schooldirecteur vertelde dat de man tijdens een confrontatie een dolk van de Hitlerjugend had gebruikt. Als minderjarige werd hij veroordeeld voor het opblazen van twee telefooncellen.
Het onderzoek werd in 2017 beëindigd omdat doorslaggevend bewijs ontbrak. De Duitse autoriteiten heropenden de zaak vorig jaar en zeggen nu voldoende aanwijzingen te hebben om de vermoedelijke dader aan te wijzen.
De naam van de man zou al kort na de brand bij onderzoekers zijn genoemd door een voormalige celgenoot. Destijds was er echter onvoldoende bewijs om de zaak tegen hem voort te zetten. De identiteit van de verdachte bleef daardoor tientallen jaren onbekend.



