Bij een bloeddonor uit Utrecht is het westnijlvirus vastgesteld. De donor is niet recent in het buitenland geweest. Daarom gaat het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) ervan uit dat de besmetting in Nederland is ontstaan.
Het is de eerste vastgestelde besmetting bij een mens in Nederland in bijna zes jaar. De besmetting kwam aan het licht tijdens onderzoek onder bloeddonoren uit gebieden waar het virus eerder was gevonden bij mensen, muggen, paarden of vogels.
Het westnijlvirus komt voor bij vogels en kan door muggen worden overgedragen op mensen en zoogdieren, waaronder paarden. Mensen en andere zoogdieren kunnen het virus niet verder verspreiden. Wel kunnen ze er ziek van worden.
Meeste besmette mensen hebben geen klachten
Het gezondheidsrisico voor mensen is volgens het RIVM relatief klein. Ongeveer 80 procent van de besmette mensen krijgt geen klachten. Bij 19 procent leidt de infectie tot westnijlkoorts, met symptomen die lijken op griep. Bij 1 procent ontstaan neurologische klachten.
Mensen ouder dan vijftig jaar en mensen met een verminderde weerstand lopen meer kans om ernstig ziek te worden. Een klein deel van de patiënten met ernstige westnijlkoorts kan overlijden.
De kans om in Nederland besmet te raken blijft klein. De vaststelling bij de bloeddonor laat wel zien dat in Nederland muggen actief zijn die het virus kunnen dragen. In andere Europese landen werd het virus vorig jaar al vaker aangetroffen.
Virus eerder ook in Nederland gevonden
Het westnijlvirus werd aanvankelijk vooral in Afrika gezien. Sinds het einde van de vorige eeuw heeft het zich over meerdere delen van de wereld verspreid. Klimaatverandering speelt daarbij een rol, omdat daardoor omstandigheden ontstaan waarin meer muggen kunnen leven.
In 2020 werd het virus in Nederland voor het eerst vastgesteld bij een mus. Kort daarna volgden de eerste vastgestelde besmettingen bij mensen. In de jaren daarna werd het virus niet opnieuw bij mensen gevonden. Wel werd het aangetroffen bij dieren, waaronder paarden en vogels.



