Het UMCG neemt deel aan een groot landelijk onderzoek naar de mogelijke invloed van bestrijdingsmiddelen op het ontstaan van parkinson. In de PD-PEST-studie worden 1.500 mensen met parkinson en 3.000 mensen zonder de ziekte meerdere jaren gevolgd.
Onderzoekers verzamelen informatie over onder meer de woonomgeving, het beroep, de leefstijl en de mate waarin deelnemers met bestrijdingsmiddelen in aanraking komen. Ze willen vaststellen welke stoffen of combinaties daarvan mogelijk een risico vormen, hoeveel blootstelling schadelijk kan zijn en waarom sommige mensen wel ziek worden en anderen niet.
Blootstelling verschilt per persoon
Volgens neuroloog Teus van Laar van het UMCG is bekend dat bepaalde bestrijdingsmiddelen in voldoende hoge concentraties schade kunnen veroorzaken. In dierproeven kan blootstelling aan sommige middelen volgens hem leiden tot afwijkingen die vergelijkbaar zijn met de kenmerken van parkinson bij mensen. Daarmee staat echter nog niet vast dat dagelijkse blootstelling automatisch tot een hoger risico leidt.
Een belangrijk probleem is dat mensen doorgaans niet met één afzonderlijke stof in contact komen. Van Laar zegt daarover: "Het gaat om cocktails. Er is geen mens die blootstelling aan één pesticide heeft." Ook erfelijke aanleg, voeding en leefstijl kunnen volgens hem bepalen hoe gevoelig iemand is.
Bestrijdingsmiddelen worden bovendien niet alleen op landbouwgrond aangetroffen. Er zijn ook resten gevonden in huisstof en in andere delen van de leefomgeving. Van Laar noemt de aanwezigheid daarom wijdverbreid.
Hij zegt dat er geen reden is voor paniek over groente en fruit uit de supermarkt. "We hebben helemaal geen aanwijzingen dat het eten van fruit en groente uit de supermarkt parkinson veroorzaakt." Wel adviseert hij mensen om, als dat mogelijk is, voor de veiligste optie te kiezen. Daarbij noemt hij lokaal en biologisch geproduceerd voedsel als voorbeelden.
Onderzoek met mini-darmen
Het UMCG werkt daarnaast samen met de Rijksuniversiteit Groningen aan onderzoek naar de invloed van onder meer glyfosaat op de darm. Wetenschappers kweken daarvoor mini-darmen uit materiaal van patiënten. Die kunnen vervolgens aan verschillende concentraties bestrijdingsmiddelen worden blootgesteld.
Volgens Van Laar maakt deze methode het mogelijk om verschillen tussen mensen beter te onderzoeken. "We kunnen van iedere patiënt in principe een genetisch identiek darmstelsel maken." De onderzoekers hopen zo te achterhalen waarom bepaalde stoffen voor de ene persoon mogelijk schadelijker zijn dan voor de andere.



