De Rijn zal in de komende decennia vooral in de zomer aanzienlijk minder water kunnen aanvoeren. Bij Lobith kan de laagste gemiddelde afvoer over een periode van zeven dagen in 2100 door klimaatverandering 10 tot 30 procent lager liggen dan nu. Dat blijkt uit onderzoek binnen het Deltaprogramma.
De berekeningen houden nog geen rekening met maatregelen die landen stroomopwaarts kunnen nemen. Duitsland en Zwitserland zullen waarschijnlijk proberen meer water vast te houden tijdens droge periodes, omdat ook daar de beschikbaarheid van zoet water afneemt. Minder water dat die landen doorlaten, is direct merkbaar in Nederland.
Saskia van Vuren, rivierdeskundige bij de staf van de Deltacommissaris, zegt dat Nederland rekening moet houden met die ontwikkeling. "We kunnen ervan uitgaan dat onze buurlanden in het bovenstroomse deel van het Rijnstroomgebied aan de slag gaan met maatregelen om het water vast te houden, net als het Deltaprogramma. Ook zij krijgen te maken met minder zoetwaterbeschikbaarheid."
Internationale afspraken
Hoe groot de gevolgen van die maatregelen precies worden, is nog niet duidelijk. Volgens Van Vuren spelen daarbij meerdere factoren mee. Duitsland en Zwitserland hebben er ook belang bij dat de verbinding met Nederland goed blijft en dat er voldoende water door de Rijn stroomt.
Nederland moet volgens haar wel voorbereid zijn op gevolgen voor de zoetwatervoorziening. De Unie van Waterschappen heeft daarom gepleit voor internationale afspraken over de verdeling van rivierwater tussen alle landen in het stroomgebied. Die afspraken moeten komen naast de bestaande overleggen in internationale rivierencommissies.
Voor hoogwater bestaan al stevige afspraken, zegt Van Vuren. Voor periodes met weinig water zijn vergelijkbare afspraken nodig. Dat is volgens haar ook in het belang van Duitsland, waar eerdere periodes van laagwater grote economische schade veroorzaakten. Daarnaast kunnen landen volgens haar meer kennis over droogte en waterbeheer met elkaar delen.
Jeroen Haan, voorzitter van de Unie van Waterschappen, ziet dat water en klimaatadaptatie hoger op de agenda staan in Brussel. Tegelijkertijd werkt niet al het beleid volgens hem mee aan het beperken van klimaatverandering. Hij vindt dat plannen sneller en consequenter moeten worden uitgevoerd, omdat droge periodes naar verwachting vaker zullen voorkomen.



