De honderden miljoenen euro’s die in Nederlandse veengebieden worden geïnvesteerd, hebben nog onvoldoende effect. In slechts 18 van de 173 onderzochte gebieden worden de afgesproken natuurdoelen volgens de Algemene Rekenkamer voldoende gehaald.
Het kabinet heeft tussen 2021 en 2030 twee miljard euro beschikbaar gesteld om de veengebieden te versterken. De gebieden zijn belangrijk voor planten en dieren die elders weinig voorkomen. Daarnaast houden veenbodems grote hoeveelheden CO2 vast.
De Algemene Rekenkamer onderzoekt of overheidsuitgaven rechtmatig en doeltreffend worden besteed. In het rapport over het veenbeleid concludeert de instelling dat maatregelen binnen de natuurgebieden alleen niet volstaan. Ook de gebieden eromheen moeten worden ingericht als buffer tegen invloeden van buitenaf.
Veel partijen betrokken
Juist daar ontstaan volgens de Rekenkamer de grootste problemen. Provincies zijn vooral verantwoordelijk voor de veengebieden zelf, maar in de omliggende bufferzones hebben ook gemeenten, waterschappen, de Rijksoverheid en private partijen zeggenschap. Daardoor is vaak niet duidelijk wie de regie voert en kunnen besluiten lang blijven liggen.
De natuurgebieden hebben te maken met verdroging, stikstof, invasieve exoten en een verslechterde waterkwaliteit. In de omgeving spelen bovendien belangen die niet altijd samengaan met natuurherstel. Landbouwers willen bijvoorbeeld pesticiden kunnen gebruiken en het waterpeil laag houden, terwijl dat schadelijk kan zijn voor het veen.
Ook recreatie, woningbouw en de aanleg van wegen zetten de gebieden onder druk. Daardoor raken veengebieden verder van elkaar gescheiden en wordt het moeilijker om aaneengesloten natuur te behouden.
Beperkte rol minister
De Rekenkamer vindt dat minister Van Essen van Natuur (D66) tot nu toe een beperkte rol speelt. De minister heeft volgens de onderzoekers wel mogelijkheden om beleid door te zetten, maar maakt daar onvoldoende gebruik van.
De instelling waarschuwt dat niet alleen de doelen voor veengebieden hierdoor in gevaar komen. Ook de bredere Nederlandse natuurdoelen kunnen worden bedreigd als de samenwerking en aansturing niet verbeteren.



