Arts handelde zorgvuldig bij levensbeëindiging van 1-jarig kind

De arts die eind 2025 het leven beëindigde van een ernstig ziek kind, heeft volgens de beoordelingscommissie zorgvuldig gehandeld. Het kind had onder meer een hersenbeschadiging en epilepsie.

Een man loopt naar de ingang van een kantoorgebouw
Een man loopt naar de ingang van een kantoorgebouw · Beeld: Netgebeurd (AI-illustratie)

Een arts heeft zorgvuldig gehandeld bij de levensbeëindiging van een kind van bijna twee jaar. Dat concludeert de commissie die meldingen over levensbeëindiging bij kinderen beoordeelt. Het kind leed aan meerdere ernstige gezondheidsproblemen en had volgens de commissie geen uitzicht op verbetering.

Nederland kent sinds 2024 een regeling voor kinderen van 1 tot en met 11 jaar die ondraaglijk en uitzichtloos lijden. Het gaat om actieve levensbeëindiging, omdat kinderen onder de 12 jaar niet zelf om hun levenseinde kunnen vragen. De ouders nemen daarover samen met de arts een besluit. De regeling valt niet onder de euthanasiewet.

Het kind was na 26 weken zwangerschap geboren. Daarna deden zich meerdere zeer ernstige complicaties voor. Het had onder meer een hersenbeschadiging en een vorm van epilepsie.

Medicijnen moesten de epileptische aanvallen onderdrukken, maar veroorzaakten ook zware bijwerkingen. Het kind sliep nauwelijks, had hoestaanvallen en kon moeilijk slikken. Artsen achtten de kans groot dat het op zeer jonge leeftijd zou overlijden door complicaties.

Ouders vroegen herhaaldelijk om levensbeëindiging

De behandelend arts besprak verschillende behandelingen met de ouders. Naarmate de gezondheid van het kind verder achteruitging, vroegen de ouders herhaaldelijk om levensbeëindiging. Zij bleven bij dat verzoek na meerdere gesprekken.

Bij de regeling moeten onafhankelijke artsen hun oordeel geven over de situatie. Een eerste beoordeling leidde niet tot instemming. De epileptische aanvallen waren niet voortdurend en mogelijk zouden andere medicijnen de klachten kunnen verminderen.

De behandelend arts bleef echter van oordeel dat het kind ondraaglijk en uitzichtloos leed, ook op momenten waarop het geen epileptische aanval had. Een tweede onafhankelijke arts steunde de levensbeëindiging. Volgens die arts werd het lijden vooral veroorzaakt door de onherstelbare hersenbeschadiging en niet door de epilepsie zelf.

De beoordelingscommissie stelt dat er geen redelijke andere manier was om het lijden weg te nemen. De motoriek, het gedrag en de persoonlijkheid van het kind waren volgens de commissie ernstig aangetast en zouden niet verbeteren.

Het Openbaar Ministerie moet nog beoordelen of de arts volgens de wet heeft gehandeld. Het OM beslist later in september of vervolging nodig is.

Lees ook