Het kabinet heeft de plannen voor de hervorming van de publieke omroep vastgesteld. De huidige elf ledenomroepen moeten samengaan in vier omroephuizen. De NOS en NTR, die geen leden hebben, gaan samen verder onder de naam NOS.
De nieuwe organisaties moeten nauwer samenwerken en onderling afspreken wie welke programma’s maakt. Daarmee wil het kabinet overlap beperken en ruimte maken voor sterke journalistiek, goede programma’s en digitale vernieuwing. Minister Rianne Letschert van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap spreekt van minder bestuurlijke drukte en meer gezamenlijke verantwoordelijkheid.
Vier samenwerkingsverbanden
De beoogde verdeling is grotendeels bekend. KRO-NCRV, Omroep MAX en WNL willen samen een omroephuis vormen. EO, VPRO en HUMAN hebben dezelfde intentie. Ook AVROTROS en PowNed willen samengaan, net als BNNVARA en Omroep Zwart.
De omroepen moeten later nog bepalen welke namen de nieuwe organisaties krijgen. Ze kunnen hun bestaande merknamen behouden, één gezamenlijke naam kiezen of met meerdere nieuwe merknamen werken.
Het kabinet wil het ledensysteem loslaten. Omroepen hoeven hun bestaansrecht straks niet meer aan te tonen met een bepaald aantal leden. In plaats daarvan moeten zij op een andere manier laten zien dat zij maatschappelijk geworteld zijn. De omroephuizen mogen zelf voorstellen doen voor die nieuwe criteria.
Geen ruimte voor nieuwe omroepen
Het publieke bestel gaat volgens Letschert op slot. Nieuwe omroepen kunnen niet meer toetreden via een vereniging, ledenwerving en het verzamelen van handtekeningen. De vier omroephuizen en de NOS krijgen een vaste plek in het bestel en worden verantwoordelijk voor de volledige publieke mediaopdracht.
Daar staat tegenover dat omroepen niet langer uit het bestel kunnen worden gezet. Bij misstanden kan het Commissariaat voor de Media wel maatregelen nemen. Een commissie van de Raad voor Cultuur moet erop letten dat maatschappelijke geluiden niet buiten beeld raken en dat de organisaties elkaar voldoende aanvullen.
De nieuwe wet moet in 2028 ingaan. Het kabinet wil dat het vernieuwde publieke bestel in 2029 volledig operationeel is. Voor die tijd kunnen belanghebbenden reageren, moet de Raad van State advies uitbrengen en moeten de Tweede en Eerste Kamer het voorstel behandelen.



