Olievervoer uit Golfregio bijna terug op vooroorlogs niveau

Het olievervoer uit de Golfregio is hersteld tot ongeveer 90 procent van het niveau voor de oorlog. Alternatieve routes, scheepvaart door de Straat van Hormuz en strategische reserves houden de markt voorlopig op de been.

Olietanker vaart langs een rotsachtige kust
Olietanker vaart langs een rotsachtige kust · Beeld: Netgebeurd (AI-illustratie)

Na de aanval van de Verenigde Staten en Israël op Iran daalde het olievervoer vanuit de Golfregio sterk. Inmiddels gaat het om ongeveer 18 miljoen vaten ruwe olie per dag, tegenover circa 20 miljoen vaten voor de oorlog. Daarmee ligt het vervoer weer op ongeveer 90 procent van het oude niveau.

De oliemarkt houdt stand dankzij tijdelijke oplossingen. Olie wordt omgeleid via pijpleidingen en over land, een deel van de scheepvaart gaat door de Straat van Hormuz en landen gebruiken minder olie of spreken strategische reserves aan. De aanvoer van ruwe olie is daardoor hersteld, maar de brandstofvoorziening blijft kwetsbaar.

Olie zoekt alternatieve routes

De belangrijkste omleiding loopt via de Oost-West-pijpleiding door Saoedi-Arabië. Die kan ongeveer 6 miljoen vaten per dag vervoeren, maar lag enkele weken stil na een aanval van door Iran gesteunde milities uit Irak. Inmiddels draait de leiding weer op halve capaciteit. De olie gaat vervolgens via het Suezkanaal of via de zuidelijke route verder. Het Suezkanaal heeft beperkte capaciteit en in het zuiden lopen tankers risico op aanvallen door Houthi's vanuit Jemen.

Andere alternatieven zijn Iraakse olie die via Turkije wordt vervoerd en een pijpleiding vanuit de Verenigde Arabische Emiraten. De Emiraten investeren miljarden in een strategie om de Straat van Hormuz zo veel mogelijk te vermijden. Soms gaat olie ook met vrachtwagens over land, bijvoorbeeld naar Syrië. Volgens Albert Veenstra, hoogleraar internationale handel en logistiek aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, gaat het daarbij om grote afstanden en is het vervoer niet altijd veilig. Robbert Marneffe, oliemarktexpert bij adviesbureau ICC, noemt de alternatieve routes in bredere zin kwetsbaar.

Op goede dagen gaat ongeveer 10 miljoen vaten olie door de Straat van Hormuz. Voor de oorlog waren dat gemiddeld 15 tot 20 miljoen vaten. De Amerikaanse marine beschermt een groot deel van de scheepvaart, maar beschietingen kunnen het transport opnieuw stilleggen. Iran voert ondertussen olie uit via tankers van bevriende landen, zoals India en China.

Vooral raffinage blijft een probleem

In Zuidoost-Azië werd brandstof snel gerantsoeneerd. China gebruikte 10 tot 15 procent minder olie, ruim 1 miljoen vaten per dag, en importeerde bijna 50 procent minder ruwe olie. China en westerse landen spraken ook strategische reserves aan. Nederland bracht ongeveer 753.000 vaten olieproducten op de markt.

De raffinagecapaciteit blijft echter beperkt. Door oorlogsschade in het Midden-Oosten en de oorlog tussen Rusland en Oekraïne is er minder capaciteit om ruwe olie om te zetten in diesel en benzine. Europa koopt geen Russische diesel meer, China exporteert minder diesel en de Verenigde Staten overwegen een exportverbod.

Ook transport is duurder geworden. Het huren van een supertanker voor 2 miljoen vaten kost momenteel 1,2 miljoen dollar per dag, tegenover 20.000 dollar in januari. Door omvaarroutes zijn bovendien minder schepen beschikbaar. Diesel is inmiddels twee keer zo duur als ruwe olie.

Lees ook