Het aantal zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) in Nederland is halverwege dit jaar sterk afgenomen. In vergelijking met eind 2024 waren er 131.000 zzp’ers minder. Daarmee komt een einde aan twintig jaar van vrijwel onafgebroken groei.
De daling valt samen met de strengere controle op schijnzelfstandigheid. De Belastingdienst controleert sinds vorig jaar opnieuw of mensen die als zelfstandige werken in de praktijk niet gewoon werknemer zijn. De Nederlandsche Bank (DNB) ziet aanwijzingen dat die handhaving invloed heeft op de ontwikkeling, maar zegt geen hard bewijs te hebben voor een rechtstreeks verband.
Meeste stoppers vinden snel werk
Meer dan de helft van de zelfstandigen die zijn gestopt, had binnen drie maanden betaald werk gevonden. Ongeveer een derde ging aan de slag in loondienst of kreeg uitzicht op een vast contract. Een vergelijkbaar aandeel vond flexibel werk.
Slechts 7 procent van de voormalige zzp’ers raakte werkloos. Volgens DNB wijst dat erop dat de afname vooral een verschuiving binnen de arbeidsmarkt betekent, en niet dat grote groepen zonder werk komen te zitten.
Bijna de helft van de ex-zelfstandigen ging in een andere sector werken. Vier op de tien waren een kwartaal na het stoppen actief in een andere beroepsgroep. Zij kwamen relatief vaak terecht in de zorg en welzijn, bij de overheid, in het onderwijs en in de handel, het vervoer en de horeca.
Aandeel blijft aanzienlijk
Halverwege dit jaar had ongeveer 12 procent van de werkzame beroepsbevolking een hoofdbaan als zzp’er. DNB noemt dat nog altijd een aanzienlijk aandeel, ook in vergelijking met andere landen.
Zelfstandigen blijven volgens de centrale bank een belangrijke rol spelen op de arbeidsmarkt. Ze geven bedrijven de mogelijkheid om snel personeel in te zetten en bieden werkenden meer autonomie. Een kleiner aantal zzp’ers betekent daarom niet automatisch dat de arbeidsmarkt minder flexibel wordt.
De beweging tussen zelfstandigheid en werknemerschap is vooral zichtbaar in sectoren waar schijnzelfstandigheid vaak ter discussie staat. Dat geldt onder meer voor de zorg, de bouw, de facilitaire dienstverlening en zakelijke dienstverlening.



