In Frankrijk is in de afgelopen twaalf maanden bij tien musea ingebroken. De reeks rooftochten roept vragen op over de beveiliging van musea en over de bestemming van gestolen kunstwerken.
Bij het Louvre waren de inbrekers binnen acht minuten alweer vertrokken. Bij de meest recente inbraak, in het Renoir-museum, duurde de actie minder dan drie minuten. De korte duur van beide inbraken laat zien hoe snel de daders hun slag konden slaan.
Korte acties, grote gevolgen
De twee voorbeelden verschillen in locatie, maar hebben een overeenkomst: de inbrekers bleven maar kort binnen. Daardoor hadden beveiligers en politie weinig tijd om in te grijpen. Welke beveiligingsmaatregelen in de musea tekortschoten, is niet bekendgemaakt.
Ook is niet duidelijk welke kunstwerken bij de tien inbraken zijn meegenomen. De waarde van de buit en de identiteit van de daders zijn evenmin bekend. Daarmee blijft onduidelijk of de afzonderlijke zaken met elkaar verband houden of dat het om verschillende groepen gaat.
Gestolen kunst is bovendien niet eenvoudig te verkopen. Bekende werken zijn geregistreerd en kunnen bij verkoop of een poging tot transport worden herkend. Dat betekent niet dat een roof geen waarde heeft voor criminelen, maar over de mogelijke bestemming van de kunst in deze zaken zijn geen details naar buiten gebracht.
De reeks inbraken leidt vooral tot vragen over de bescherming van collecties. Musea moeten werken toegankelijk tonen, maar tegelijk voorkomen dat indringers ongezien binnenkomen en weer vertrekken. De gebeurtenissen bij het Louvre en het Renoir-museum maken duidelijk dat een inbraak niet altijd lang hoeft te duren om grote schade te veroorzaken.
De tien incidenten in één jaar vormen samen een opvallende reeks. De beschikbare informatie geeft nog geen verklaring voor het aantal inbraken. Wel staat vast dat de daders in meerdere gevallen zeer snel konden handelen, terwijl de gestolen kunst daarna moeilijk legaal verhandelbaar is.



