Waterschap Rivierenland heeft de inlaat van water bij Kinderdijk beperkt vanwege de aanhoudende droogte en toenemende verzilting. Alleen bij eb stroomt er nog water het gebied in. Bij vloed is het risico te groot dat zout water vanuit zee via de rivieren wordt aangevoerd.
Het ingelaten water is nodig om het peil in sloten, kanalen en vaarten op niveau te houden. Door de lage afvoer van rivierwater kan zout water vanaf de Noordzee verder landinwaarts trekken. In het midden van Nederland gebeurt dat vooral via de Lek, de Nieuwe Merwede en de Noord, tussen Dordrecht en Kinderdijk.
Zout water is zwaarder dan zoet water en zakt daardoor naar de rivierbodem. Daar vormt het een zouttong die bij lage rivierstanden verder stroomopwaarts komt. Verzilting kan schadelijk zijn voor gewassen en natuur.
Waterpeil kan voorrang krijgen
Als de waterstand te ver dreigt te dalen, kan het waterschap alsnog besluiten ook tijdens vloed water in te laten. Daarmee komt zouter water het gebied binnen, maar kan schade aan oevers, dijken en kades worden voorkomen. Ook moet een te laag peil verzakkingen tegengaan in de Alblasserwaard, een veenweidegebied.
Het waterschap stelt dat het in die situatie kiest voor een minimale waterstand, ook als de kwaliteit van het ingelaten water minder goed is. De organisatie heeft die stap naar eigen zeggen nog niet eerder hoeven zetten, omdat het tot nu toe mogelijk was om het waterpeil te handhaven met inlaat tijdens eb.
Ook elders zijn maatregelen genomen tegen verzilting. In het westen van Nederland zijn kanalen en sluizen afgesloten om de instroom van zout water te beperken. In delen van het rivierengebied, van Kinderdijk tot aan de Duitse grens bij Arnhem, geldt daarnaast een verbod om water uit sloten te onttrekken, bijvoorbeeld voor beregening.



