Tweede Kamerleden Don Ceder van de ChristenUnie, Chris Stoffer van de SGP en Henk Vermeer van BBB hebben schriftelijke vragen gesteld over de deelname van Nederlandse diplomaten aan een rondreis door Nagorno-Karabach. De tour werd georganiseerd door Azerbeidzjan, dat sinds 2023 controle heeft over de regio.
De parlementariërs willen van de minister van Buitenlandse Zaken weten waarom Nederland op de uitnodiging is ingegaan. Ook vragen zij of het kabinet deelname aan het programma gepast vond, gezien de internationale zorgen over de behandeling van de Armeense bevolking en het culturele erfgoed in het gebied.
Zorgen over Armeense bevolking
Na een Azerbeidzjaans offensief in 2023 verlieten meer dan honderdduizend Armeniërs Nagorno-Karabach. De Kamerleden vragen het kabinet of het van oordeel is dat daarbij sprake was van etnische zuivering. Ook willen zij weten welke consequenties Nederland daaraan verbindt en hoe het kabinet op de situatie reageert.
Daarnaast wijzen de drie Kamerleden op berichten over de aantasting van Armeens cultureel erfgoed. Volgens hen worden plaatsnamen veranderd en zijn Armeense kerken en monumenten verwoest. Zij vrezen dat in Nagorno-Karabach een vergelijkbare situatie ontstaat als in de Azerbeidzjaanse exclave Nachitsjevan, waar eerder Armeens erfgoed is vernietigd.
Vragen over verloop van de tour
De parlementariërs zetten ook vraagtekens bij de informatie die de Azerbeidzjaanse autoriteiten tijdens de rondreis verstrekten. Zo zouden kloosters als Gandzasar en Dadivank zijn gepresenteerd als erfgoed van de zogenoemde Kaukasische Albanezen, en niet als Armeens erfgoed. Ook zou tijdens het bezoek spottend zijn gesproken over oude manuscripten en op historische locaties zijn gedanst.
De Kamerleden willen weten of de Nederlandse diplomaten deze voorstelling van de geschiedenis hebben tegengesproken. Verder vragen zij of Azerbeidzjan zich houdt aan uitspraken en voorlopige maatregelen van het Internationaal Gerechtshof over de bescherming van cultureel erfgoed en het voorkomen van discriminatie.
De minister van Buitenlandse Zaken moet de vragen binnen enkele weken schriftelijk beantwoorden.



