De lage waterstanden maken het voor schippers in de binnenvaart lastiger om schepen efficiënt en veilig te laten varen. De beschikbare diepte verschilt per traject en kan veranderen door ondieptes. Daardoor moeten schippers voortdurend beoordelen hoeveel lading zij kunnen meenemen en welke route mogelijk is.
Ervaring met het eigen schip en kennis van het vaarwater spelen daarbij een belangrijke rol. Schippers stemmen hun vaart af op de actuele omstandigheden, zodat zij de beschikbare diepgang zo goed mogelijk benutten. Dat moet voorkomen dat een schip vastloopt of onnodig capaciteit onbenut laat.
Actuele gegevens over de vaarweg
Technologie krijgt tijdens laagwater een grotere rol. De coöperatieve vaardieptemeting van CoVadem wordt vaker gebruikt om inzicht te krijgen in de diepte van vaarwegen. Deelnemende schepen verzamelen tijdens hun reizen meetgegevens, die kunnen helpen bij het in kaart brengen van de actuele situatie.
Met die informatie kunnen schippers beter inschatten waar zich ondiepe plekken bevinden. Zij kunnen hun belading, vaarsnelheid en route daarop aanpassen. De metingen vormen een aanvulling op de eigen waarnemingen en de ervaring van de bemanning.
Minder ruimte voor lading
Bij een lage waterstand kunnen schepen minder diep in het water liggen. Daardoor is er vaak minder ruimte voor vracht per reis. Dat kan betekenen dat voor dezelfde hoeveelheid goederen meer reizen nodig zijn, of dat vervoerders kiezen voor andere oplossingen.
Schippers zoeken binnen die beperkingen naar manieren om de bedrijfsvoering zo veel mogelijk door te laten gaan. Naast digitale hulpmiddelen gebruiken zij praktische aanpassingen die passen bij schip, lading en vaarroute. De combinatie van vakkennis, actuele data en creativiteit moet de gevolgen van laagwater voor de binnenvaart beperken.



